|
Wolfgang Laib
Werk op papier en foto's, in samenwerking met Kunstmuseum Bonn.
Het werk Wachsraum van Wolfgang Laib maakt sinds de opening van De Pont, in september 1992, deel uit van de vaste opstelling van het museum. In 1993 bracht het museum de eerste overzichtstentoonstelling van zijn werk in Nederland, waarin de kunstenaar voor het eerst enkele werken op papier liet zien. Sinds enkele jaren komt Laib ook met zijn fotografische werk naar buiten. Tekeningen en foto’s bieden een fascinerend inzicht in de achtergronden van zijn werk en tonen zijn fascinatie voor met name traditionele Indiase architectuur en rituele gebruiken. Van dit bijzondere onderdeel van zijn oeuvre heeft De Pont nu samen met het Kunstmuseum in Bonn een groot overzicht georganiseerd, waarin ruim 120 werken op papier zijn opgenomen. Bij de tentoonstelling verschijnt een uitgebreide publicatie met essays van Christoph Schreier en Klaus Ottmann.
Wolfgang Laib (Metzingen 1950) is bekend geworden met beelden en installaties die zijn gemaakt van natuurlijke materialen en die door de intensiteit van hun kleur en geur een sterke zintuiglijke ervaring bieden. Zo is Wachsraum (1992) een smalle gang waarvan de wanden zijn opgebouwd uit platen pure bijenwas. De honingkleurige platen gloeien op in het licht van een klein lampje en de zoete geur van de bijenwas is overweldigend. Blütenstaub von Kiefern (1993) bestaat uit een stralend geel veld van zuiver stuifmeel van de grove den dat op de grond is uitgestrooid. Voor andere werken heeft Laib zachte en vergankelijke materialen als melk en rijst gebruikt in combinatie met hardere als metalen en marmers. Telkens kiest hij voor materialen met een grote intensiteit. Dit geldt niet alleen voor hun kleur en substantie, maar ook voor hun intrinsieke kwaliteit als bron van levenskracht. Het eerbiedigen van deze levenskracht lijkt een van de essentiële aspecten van zijn werk. In de collectiecatalogus van De Pont staat het als volgt omschreven: ‘Laibs werken hebben in al hun kwetsbaarheid iets tijdloos en eeuwigs. Ze verwijzen naar de schoonheid en kostbaarheid van dingen die er gewoon zijn en tegelijkertijd naar primaire, weinig excessieve levensbehoeften. De rechthoeken van puur stuifmeel, die hij maakt door het stuifmeel met een zeefje te laten neerdalen op de vloer, lijken een pure celebratie van de onvoorstelbare intensiteit van de kleur. Simpele blikken borden in een rij op de grond, waarop rijstkorrels in kleine kegels liggen opgetast, suggereren dat het weinige dat een mens nodig heeft in overdaad aanwezig is.’ Tegenover de grootsheid van zijn thematiek kenmerkt zijn kunstenaarschap zich door bescheidenheid en ingetogenheid.
Laib is gefascineerd door de oosterse, met name boeddhistische, aandacht en respect waarmee de natuurlijke omgeving wordt bekeken en beleefd. Zijn belangstelling daarvoor zal al zijn gewekt door de reizen die hij met zijn ouders maakte naar India, maar ook naar islamitische landen. Over de moskeeën merkt hij op: ‘Lege ruimten (...) niet opgevuld met overbodigheden. Een gevoel voor ruimte, vooral voor de vloer, dat in de Europese kunst helemaal niet bestaat.’ Maar ook de westerse mystieke traditie en de utopische kunststromingen uit het begin van de twintigste eeuw vinden weerklank in zijn werk.
Laib plaatst zichzelf bewust buiten de hectiek van het moderne leven. Niet alleen door de vele reizen die hij maakt en door zijn teruggetrokken leven en werken, maar ook doordat hij herhaling en concentratie als wezenlijker aspecten van zijn kunstenaarschap beschouwt dan verandering en ontwikkeling. Dit uit zich in zijn tekeningen onder meer in een sobere, bijna elementaire, vormentaal, waarmee hij de essentie van zijn onderwerpen tracht weer te geven. Het zijn bijna schematische, vaak ritmisch herhaalde, aanduidingen van de vormen en objecten die ook in zijn ruimtelijk werk een rol spelen. De tekeningen zijn uitgevoerd in potlood en pastelkrijt in geel of rood. Deze kleuren herinneren aan de gloed van het stuifmeel en van de bijenwas. Soms herkennen we dieren, bergen, schalen of kommen. Dikwijls zijn het ook architectonische vormen als torens, koepels en nissen waarin het uitgangspunt voor een tekening ligt. Met name de ‘ziggurat’ – de getrapte toren uit de oude culturen van het Midden-Oosten – komt in veel tekeningen voor. Tijdens zijn vele reizen door het Midden-Oosten en Zuidoost-Azië heeft Laib talloze foto’s gemaakt van met name architectuur. Vaak zijn dit heiligdommen, tempels, gedenkstenen en rituele plaatsen waarvan de bouwvormen door eeuwenoude tradities bepaald zijn. Deze archaďsche bouwkunst vormt de aanleiding voor tal van tekeningen met abstracte vormen als blokken, driehoeken, bogen en trappen. Maar deze formele aspecten zijn op zichzelf niet de essentie van Laibs werk. De eenvoudige vormen hebben ontegenzeglijk hun eigen poëtische schoonheid, maar ze zijn bijna altijd opgenomen in een kader van dunne potloodlijnen waarbinnen ze geordend en gesystematiseerd lijken. Deze schematische vorm plaatst de losse elementen in een groter geheel. Het is alsof de kunstenaar daarmee uitdrukking geeft aan het besef dat alles deel uitmaakt van een grotere ordening en van een andere dimensie van plaats en tijd. Het is een zienswijze die ons bewust wil maken van de magische levenskracht die verborgen ligt in zoiets nietigs als stuifmeel of een rijstkorrel. De spiritualiteit van dit bewustzijn herkent Laib in de offergaven die gedaan worden bij Indiase altaren, waar de goden gunstig worden gestemd met wierook, melk en bloemen. Dit is een rituele celebratie van het leven zoals Laib die zelf ook in zijn werk tot uitdrukking brengt. Eenvoud van materiaal en vorm staat voorop, maar in de eenvoud ligt een intense beleving en spiritualiteit. De rijkdom van een kosmische orde en een diepe verbondenheid met de natuur.
Ver van de ingang van De Pont ligt Wachsraum van Wolfgang Laib: een uit platen bijenwas opgetrokken ruimte die in 1992 werd geďnstalleerd. Een opening in de muur geeft toegang tot een smalle gang, die al na enkele stappen scherp naar rechts buigt en de bezoeker wegvoert van de grote hal. Aan het einde is de doorgang afgesloten door een veel grotere wasplaat dan die waarmee de wanden zijn bekleed en die de suggestie oproept van een gesloten deur. De ruimte wordt slechts verlicht door een klein peertje en de lucht is gevuld met de geur van zuivere bijenwas. Juist het karige licht brengt de kleur en het patina van de bijenwas tot leven. ‘Je moet niet te veel licht hebben,’ zegt Laib, die de aandacht vestigt op de verbazende doorschijnendheid en dichtheid van de was: ‘De materie wordt bijna immaterieel.’
Bij het maken van ruimtes als deze is Laib beďnvloed door de architectuur uit oude culturen. Zijn werk wordt in het algemeen wel verklaard vanuit zijn belangstelling voor niet-westerse culturen, met name de Indiase filosofie en religie. Al in zijn jeugd maakte hij met zijn ouders reizen naar India, maar ook naar islamitische landen – beslissende ervaringen waaraan Laib ook zelf refereert. De moskeeën bijvoorbeeld: ‘Lege ruimten (...) niet opgevuld met overbodigheden. Een gevoel voor ruimte, vooral voor de vloer, dat in de Europese kunst helemaal niet bestaat.’ Zijn werk is echter niet op een duidelijk afgebakende grondslag terug te voeren. Ook met bepaalde westerse mystieke tradities en met de utopische dimensie van de kunst uit het begin van deze eeuw voelt hij zich verbonden. Met name met Mondriaan, naar wie hij echter met een zekere spijt verwijst. Want voor Laib heeft deze kunst haar mogelijkheden deels verspeeld, door de binding met het dagelijks leven te verbreken.
Laib begon zijn loopbaan in 1975, een jaar na de voltooiing van zijn medicijnenstudie, waaraan hij geen vervolg gaf. Met natuurlijke, maar in de kunst ongewone materialen als bijenwas, melk, stuifmeel en rijst maakt hij werk dat bijna sacraal aandoet. Zijn oeuvre heeft een cyclisch karakter: ieder type werk wordt steeds opnieuw gemaakt, maar de kring van werken breidt zich uit.
Het verst terug dateren de Milchsteine (Melkstenen) – lage, vlakke marmerstenen, die aan de bovenzijde iets zijn uitgehold, zodat ze met een dun laagje melk kunnen worden gevuld. Waar het wit van de steen en de melk elkaar raken, is het verschil in materie niet meer waarneembaar: melk en steen worden een volmaakte eenheid. In de loop van de dag verzuurt de melk en stofdeeltjes verstoren het oppervlak. De kortstondigheid lijkt een even wezenlijk onderdeel van deze beelden als de sublieme schoonheid.
Laibs werken hebben in al hun kwetsbaarheid iets tijdloos en eeuwigs. Ze verwijzen naar de schoonheid en kostbaarheid van dingen die er gewoon zijn en tegelijkertijd naar primaire, weinig excessieve levensbehoeften. De rechthoeken van puur stuifmeel, die hij maakt door het stuifmeel met een zeefje te laten neerdalen op de vloer, lijken een pure celebratie van de onvoorstelbare intensiteit van de kleur. Simpele blikken borden in een rij op de grond, waarop rijstkorrels in kleine kegels liggen opgetast, suggereren dat het weinige dat een mens nodig heeft in overdaad aanwezig is.
De rijst wordt ook wel uitgestrooid rond kleine, archetypisch gevormde beelden, die aan huizen, voorraadschuren of reliekschrijnen doen denken, en het stuifmeel giet Laib soms uit in fragiele hoopjes. De vloer, bij Laib de meest directe en eenvoudige plaats van handeling, werkt als een immense ruimte op deze bescheiden en laag geplaatste werken in. De schaal van de werken wordt als het ware imaginair: ‘Onbetreedbare bergen’ noemt Laib zijn hoopjes stuifmeel wel. Ook in meer recente werken laat Laib de ruimte op de verbeelding inwerken. Zo plaatst hij primitieve, uit bijenwas gevormde boten hoog op een houten stellage in de lucht, als een convooi van verre schepen, die een onbekende inhoud over de horizon dragen.
In het zuiden van Duitsland leidt Laib een enigszins teruggetrokken leven. Het met de hand verzamelen van stuifmeel is een tijdrovend karwei en door het volgen van de bloei van verschillende planten en bomen (zoals paardebloem, boterbloem en den) is hij een goed deel van het jaar aan de omgeving gebonden. Maar zoals het ritme van de seizoenen zich zowel herhaalt als steeds weer nieuw is, zo blijven ook de elementaire handelingen die voor het maken van zijn werken noodzakelijk zijn voor Laib van betekenis: ‘Ik heb de melk al zo vaak uitgegoten en het stuifmeel al zo vaak uitgezeefd, de ervaring blijft echter altijd nieuw. Het is iets dat je nog nooit eerder gezien hebt, een realiteit waarvan je niet kunt geloven dat het werkelijkheid is.’
|
Exposerende kunstenaar(s) / exhibited artist(s):
Wolfgang Laib
|
De Pont
Wilhelminapark 1, 5041 EA Tilburg, 013-5438300, open: di t/m zo 11.00-17.00 , geopend op erkende feestdagen, behalve 25 dec, 1 jan en 30 april, entree € 6,00, museumkaart geldig
Expositieperiode van 11 juni t/m 25 september 2005
|
|