|
Zomertentoonstelling waarin vele topstukken en minder bekende werken uit de collectie van Museum Belvédère zijn opgenomen, geselecteerd door kunstenaar Sjoerd de Vries. Hij geeft hiermee zijn visie op de schilderkunst in het algemeen en de collectie van het museum in het bijzonder.
De Vries verdeelde de tentoonstellingsruimte in afzonderlijke gedeelten en maakte een indeling die loopt van de Stijl naar de Vlamingen, en eindigt met de Friezen en hun verwanten. In de eerste ruimte combineerde hij het abstracte, geometrische werk van Thijs Rinsema, Theo van Doesburg, Wobbe Alkema en Lou Loeber met schilderijen van hedendaagse kunstenaars als Dave Meijer en Wim Biewenga. Hierbij werd ook een reliëf van Harmen Abma gehangen en een volledige wand is besteed aan druksels van Werkman, die door De Vries ‘een meester van de moderne kunst’ wordt genoemd. In de tweede en derde ruimte worden werken van Benner en Brusselmans moeiteloos afgewisseld met schilderijen van Ploeg-schilders als Jan Altink, Johan Dijkstra, Jan van der Zee en Job Hansen. Verderop in de zaal hangen bomen van Spilliaert, Simon Rood en Christiaan Kuitwaard, maar ook zeegezichten van Johan van Hell, Piet Moerman, Kamerlingh Onnes en Permeke. ‘Sinds mijn jongensjaren houd ik al van de Latemse School. Die schilders zijn van boerenafkomst, ik voel overeenkomsten in gevoelswaardes. Vlaamse kunst en Friese kunst zeggen alles over Noord-Europa. Naar Amsterdam moet je niet kijken, dat is overstroomd…’
Grote waardering voelt hij voor het werk van Jentje van de Sloot (‘de keizer van de zondagsschilders’), die pas op 77-jarige leeftijd begon te schilderen en een jaar later zijn eerste tentoonstelling had. ‘Toen ik zijn werk zag, begreep ik dat ik er een leven lang over zou doen om zijn eenvoud te bereiken. Zijn werk is niet naïef, maar primitief. Dat is een groot verschil! Met zijn oude stijve handen maakte hij de wonderlijkste dingen. Zijn luchten lijken zo uit de zeventiende eeuw te komen.’ Het schilderij ‘Prinsentuin’ van Jentje van de Sloot werd speciaal voor ‘Op het Oog’ als bruikleen aangevraagd bij particulieren en het vormt nu het slotakkoord van de expositie. Per kunstenaar zijn niet meer dan drie werken geselecteerd, met als enige uitzondering op deze regel het werk van de kunstenaar/conservator zelf. Op plechtige toon: ‘Van meneer de Vries zijn vier werken te zien uit verschillende stijlperiodes: een naakt, een vroeg zelfportret, een landschap en een recente weeklaagster. Allen vervaardigd volgens zijn eigen unieke stijl en de moeite van het bekijken meer dan waard!’ Hij loopt naar ‘zijn’ landschap, dat aan de linkerzijde wordt geflankeerd door ‘Bloeiend landschap’ van Jan Mankes en aan de rechterzijde wordt begrensd door een poëtisch, bijna gedroomd schilderij van Willem van Althuis. ‘Dit is een gestroomlijnd wandje. Typisch Fries. Of moet ik zeggen typisch De Vries?’
Kunstenaars die met het maximum van drie werken vertegenwoordigd zijn, zijn onder meer Tinus van Doorn, Boele Bregman, Thijs Rinsema, Tames Oud, Jan Mankes, Willem van Althuis en de vorig jaar overleden schilder Ben Akkerman. Verder zijn er werken te zien van onder meer Tim Brown, Willem Hussem, Ed Dukkers, Leon Adriaans, Janus Metsaars, Piet Moerman, Han Jansen, Roger Raveel, Herman Kruijder, Klaas Koopmans, Jochem Hamstra, Klaas Gubbels, Robert Zandvliet en zowel Tjerk als Tjeerd Bottema.
Tijdens de tentoonstelling verschijnt een speciale uitgave van het museumtijdschrift MB.
|