Home - Kunstenaars - Galeries - Musea - Exposities  

 
Zilvermuseum Sterckshof
Cornelissenlaan  Plattegrond via Google
B-2100 Antwerpen-Deurne, België
T +32-3-3605252
 info@zilvermuseum.be
www.zilvermuseum.be
di t/m zo 10.00-17.30
gesloten op 1 en 2 jan, 25 en 26 dec
Toegang museumcollectie gratis
Toegang tentoonstellingen betalend

Contact: Wim Nys

Overige informatie

Postadres: Hooftvunderlei 160.

Sedert 1953 wordt het Museum Sterckshof beheerd door het Provinciebestuur van Antwerpen, eerst onder de naam Provinciaal Museum voor Kunstambachten Sterckshof, later onder de naam Provinciaal Museum Sterckshof - Zilvercentrum, en vanaf 2002 Zilvermuseum Sterckshof. Naast de vele wijzigingen is er wel één constante, nl. de steeds groeiende collectie zilverwerk.

Museumcollectie
+ + lees meer...

Het Zilvermuseum Sterckshof heeft een rijke en gevarieerde zilvercollectie, waarvan het oudste stuk uit het tweede kwart van de 16de eeuw en het recentste werk uit 2003 dateert. De verzameling telt meer dan 700 zilveren sier- en gebruiksvoorwerpen. De zilveren en gouden penningen vormen een eigen deelcollectie.

Ten tijde van conservator Joseph De Beer werd vooral kleinzilver verzameld. Het Sterckshofmuseum vergaarde gildenzilver, juwelen, chatelaines, horlogekettingen, horlogesleutels, gespen, mantelhaken, hoedenspelden, grepen van wandelstokken en regenschermen, handtasjes, geldbeursjes, parfumflesjes, rammelaars, naai- en schrijfgerief, boekbeslag, pijpenkoppen en devotionalia. Er werd daarbij vanzelfsprekend meer waarde gehecht aan de documentaire, dan aan de artistieke waarde van deze gebruiksvoorwerpen. Het kleinzilver uit deze aankoopperiode is schaars, onduidelijk of helemaal niet gemerkt, en daarom meestal terug te vinden in de sectie anoniem zilver. Over de herkomst van de stukken is nauwelijks iets bekend. De onvolledige inventarissen vermelden onder meer een aankoop van zilver bij Mevrouw Peeters uit Hoogstraten in 1947.

De collectie huis- en kerkzilver kwam tot stand nadat de Provincie Antwerpen het museum in 1953 overnam. Zij is het resultaat van veertig jaar doordacht aankoopbeleid, waarbij de klemtoon lag op de verwerving van kwaliteitsvol Antwerps edelsmeedwerk uit het Ancien Régime. De basis hiervoor werd gelegd door conservator Piet Baudouin, die van 1954 tot en met 1972 het Sterckshofmuseum leidde. Hij zorgde voor een nieuw museaal concept. De klemtoon lag voortaan op de oude en de hedendaagse kunstambachten, wat zowel in het aankoopbeleid als in de tentoonstellingsprogrammatie tot uiting kwam. Met het reeds aanwezige materiaal konden vrij vlug toonzalen voor tin, koper, munten en penningen, glaswerk, kleding, juwelen en later ook religieuze kunst worden ingericht. Enkele voorheen afgewerkte volkskundige zalen, zoals de keuken, de apotheek en de volksherberg, bleven voorlopig behouden. Met gerecupereerd materiaal van interieurs die in de stad ten prooi vielen aan de bouwwoede van de jaren zestig werden enkele nieuwe zalen aangekleed. Dit gebeurde steeds met de bedoeling om geleidelijk aan verschillende stijlkamers in te richten.

In de periode 1954-1972 werd voor de opbouw van de collectie edelsmeedkunst een duidelijk tweesporenbeleid gevolgd. Enerzijds werd bijna uitsluitend Antwerps zilver uit de 17de en de 18de eeuw gekocht; anderzijds werd de eigentijdse juweel- en edelsmeedkunst door aankopen gestimuleerd. Uit die tijd dateren het moderne kerkzilver en de juwelen van de jaren '50 en '60. De verwerving hiervan liep parallel met de tentoonstellingen en de provinciale prijzen die het hedendaagse kunstambacht in de kijker plaatsten.

Het valt op dat in de jaren '60 kort na elkaar vier topwerken in de collectie werden opgenomen. In 1960 werd de Antwerpse Mucius-Scaevolaschaal uit 1561-1562 gekocht. Twee jaar later volgde de Antwerpse driekraantjeskan van Jan Baptist Cassé uit 1772. In 1963 verwierf het Sterckshof de kokosnootbeker uit 1543-1544 en de 16de-eeuwse kelk met pateen uit Valenciennes. Werd de aankoop van 19de-eeuws zilver meestal tot kleinzilver en kostuumaccessoires beperkt, dan is de enige uitzondering hierop wel een aanwinst van formaat, met name het grote pronkwijwatervat van de Antwerpse edelsmid Jan Pieter Antoon Verschuylen uit 1833, dat oorspronkelijk bezit was van het Belgische koningshuis.

Het beleid, de persoonlijke contacten en het wetenschappelijk onderzoek van conservator P. Baudouin vestigden de reputatie van het museum bij de Belgische zilververzamelaars, zodanig zelfs dat jonkheer Pierre Lunden in 1975 zijn omvangrijke zilvercollectie aan het Sterckshof naliet. Jonkheer Pierre Lunden werd op 29 april 1887 op het kasteel Bisschoppenhof in Deurne (Antwerpen) geboren als tweede kind van Albéric Lunden en Valentine van Hal. Uit zijn eerste huwelijk met gravin Anne de Baillet Latour had Albéric reeds drie kinderen. Tijdens de Eerste Wereldoorlog week het gezin uit naar Manchester. Na een leertijd in de Engelse textielindustrie kwam Pierre met zijn oudere broer Philippe terug naar België, waar zij als directeurs het Belgische agentschap van de Londense verzekeringsmaatschappij Royal Exchange Assurance uitbouwden. Na de dood van zijn broer kreeg Pierre Lunden de leiding in België, totdat deze Engelse verzekeringsfirma op het einde van de jaren zestig de Belgische markt verliet. Ondertussen had jonkheer Lunden zich in Elsene (Brussel) gevestigd, waar hij op 13 april 1975 overleed.

Bij testament schonk hij het museum 96 stuks zilver uit de Zuidelijke Nederlanden en het prinsbisdom Luik, voornamelijk daterend uit de 17de en de 18de eeuw. Het legaat omvatte tevens Chinees porselein, enkele schilderijen, meubels, familiedocumenten en snuisterijen, waaronder een Parijse, gouden snuifdoos van Pierre Croissant uit 1739-1740. Jonkheer Lunden verbond twee voorwaarden aan zijn schenking. De collectie moest op de benedenverdieping van de vleugel aan de Hooftvunderlei worden tentoongesteld in de zogenaamde 18de-eeuwse zaal met de zoldering uit het voormalig hotel Kums. Deze zaal zou voortaan de Lundenzaal heten. Bovendien moest binnen de twee jaar een geïllustreerde catalogus van zijn legaat worden gepubliceerd. Aan beide voorwaarden werd voldaan.

Een paar engelkandelaars en een zilveren Onze-Lieve-Vrouwebeeld zijn de enige religieuze stukken. Voor het overige bestaat het legaat Lunden uitsluitend uit huiszilver. Al zijn niet alle kunstvoorwerpen de meest typische voorbeelden voor de stad van herkomst, toch vallen zij steeds op door hun hoge kwaliteit en geven zij als geheel een goed stijloverzicht van de edelsmeedkunst in de Zuidelijke Nederlanden en het prinsbisdom Luik. Antwerpen is met 33 stuks het best vertegenwoordigd. Drie drinkbekers met een fijn gegraveerde versiering en een molenbeker illustreren de 17de eeuw. Dekselkommetjes, strooibussen, mosterdpotten, zoutvaatjes, tafelkandelaars en een olie-en-azijnstel getuigen van de geraffineerde 18de-eeuwse tafelcultuur. Een fraai voorbeeld van Antwerps salonzilver is de waterketel uit 1734-1735. Ook Brussel komt met 15 stuks goed aan bod. Vermeldenswaard zijn de twee gedekselde kommetjes uit 1734-1737, een theepot van Peeter Alio jr. met dezelfde jaarletter, de koffiekannen van Jacob Frans Van der Donck (1769) en Michel Paul Joseph Dewez (1779) - beiden hofzilversmid van gouverneur-generaal Karel Alexander van Lotharingen (1712-1780) - en een peervormige koffiekan die in 1793 door de Meester met vuurpot werd vervaardigd. Uit het hertogdom Brabant zijn er voorts telkens twee nummers zilver uit Mechelen en Leuven. De Mechelse soepterrine op presenteerblad van Antoon de Raedt uit 1765-1766 draagt het alliantiewapen van Gammeren-Lunden en behoorde tot het familiebezit van de jonkheer.

Voor Brugge is er een mooi ensemble van elf nummers, waaronder een paar tafelkandelaars in Lodewijk XIV-stijl van Pieter van Sychem, een theebus versierd met vrouwenhermen van Michiel van de Kerckhove (1720-1721) en twee tafelkomfoortjes van Antoon van Haecke uit 1741-1745. De edelsmeden van Oostende, die hun werk in Brugge moesten laten keuren, zijn in de verzameling Lunden vertegenwoordigd door een theepot van Martinus de Clerck uit 1731-1732. De Gentse sauskommen van Pieter Joseph Dominicus Longhehaye (1751), de zoutvaatjes van Herman Jan Smidts (1761) en de tafelkandelaars van Maria Theresia Smidts (1762) vormen samen met een strooibus en mosterdpot van Michiel de Grave (2/2 18de eeuw) de bescheiden inbreng van deze stad in het legaat. Twee bekers van J.J. de Fourmestraux (1772) en een paar sauskommen van P. Jozef de Coene (1773) uit Ieper en een Kortrijkse chocoladekan van August Jozef Vandewinckele (1779) geven een idee van de edelsmeedkunst in de kleinere steden van het graafschap Vlaanderen.

Henegouwen is in het legaat Lunden vertegenwoordigd door acht zilveren voorwerpen uit Bergen, één chocoladekan uit Doornik en twee stuks zilver uit Aat, waaronder een koffiekan van Jean-Louis Philippront uit 1783. Het is de oudst gekende cafetière persane, een type gemaakt naar het voorbeeld van de koperen koffiekannen uit het Nabije Oosten. Van dit exotisch model zijn tot nu toe enkel voorbeelden uit de Zuidelijke Nederlanden gekend. Uit het graafschap Namen verzamelde jonkheer Lunden een strooibus, een presenteerblad en een paar kandelaars. De zeven nummers Luiks tafelzilver weerspiegelen niet met glans het zo geprezen meesterschap van de edelsmeden uit deze stad, al zijn er ook hier een aantal typische voorbeelden bij. Uit Maastricht, waar de Luikse prins-bisschop het bestuur deelde met de Verenigde Provinciën, toont het legaat een paar tafelkandelaars van Fredericus Wery uit 1722-1724. Onlangs werd een anoniem suikergoedschaaltje geïdentificeerd als het werk van één der edelsmeden Vos uit de stad Hasselt, die destijds eveneens tot het prinsbisdom behoorde.

Van 1973 tot 1992 leidde conservator Jan Walgrave vanuit het Sterckshof de unitaire provinciale musea. De klemtoon lag nu meer op het hedendaagse kunstambacht en het design. De jaren zeventig en tachtig werden gekenmerkt door een expansiebeleid, waardoor diverse deelcollecties uitgroeiden tot zelfstandige musea, nl. het Provinciaal Diamantmuseum te Antwerpen (1972), het Provinciaal Textiel- en Kostuummuseum Vrieselhof te Oelegem (Ranst) (1976) en het Provinciaal Museum voor Fotografie te Antwerpen (1986). Sedert 1992 is Leo De Ren conservator van het Zilvermuseum Sterckshof.

De nieuwe richting die het Sterckshofmuseum uitging, maakte dat er in de periode 1973-1992 hoofdzakelijk kleinzilver werd verzameld dat de uitbouw van het Textielmuseum en van het Diamantmuseum ten goede kwam. Het Sterckshof verwierf in 1980 de collectie rookgerief van wijlen Paul Hendrickx uit Deurne met het oog op de uitbouw van een zelfstandig provinciaal museum in Turnhout, waarin de volkskundige collecties van het Sterckshof zouden worden ondergebracht. Deze verdere decentralisatie van het museum kwam er uiteindelijk niet en de pijpenverzameling werd recentelijk in bruikleen gegeven aan de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis in Brussel. Wel behield het Zilvermusuem enkele met zilver versierde pijpenkoppen.

In 1985 werd een zeldzame Antwerpse haarnaald aan het Sterckshof geschonken. Het museum kocht nog steeds Antwerps zilver, maar de belangstelling verschoof geleidelijk naar schepwerk en salonzilver uit het begin van de 19de eeuw. Eerstaanwezend wetenschappelijk assistent Anne-Marie Claessens-Peré, die van conservator P. Baudouin de zorg voor de collectie metalen overnam, bepleitte de verruiming van de collectie met 19de-eeuws zilver. In 1985 organiseerde zij in het Sterckshof met haar collega Frieda Sorber van het Provinciaal Textielmuseum de tentoonstelling Uit de sacristie, waarop naast kerkelijk textiel de aandacht gevestigd werd op de 19de-eeuwse, burgerlijke juwelen in kerkelijk bezit. In 1987 volgde een tentoonstelling over het gildenzilver uit het oud-hertogdom Brabant. De drijvende kracht van inmiddels ereconservator Piet Baudouin en van eerstaanwezend assistent A.-M. Claessens-Peré achter de dubbeltentoonstelling Zilver uit de Gouden Eeuw van Antwerpen (Rockoxhuis) en Antwerps huiszilver uit de 17e en 18e eeuw (Rubenshuis) in 1988-1989 vestigde nogmaals de aandacht op de wetenschappelijke knowhow van het Sterckshofmuseum en zijn rijke documentatie over de Antwerpse edelsmeedkunst. Deze tweede verzamelperiode nam in 1991 een nieuwe wending met de aankoop van een koffie- en theeservies in Art-Decostijl van het Brusselse huis Delheid. Het was de voorbode van een noodzakelijke inhaalbeweging, die werd voortgezet toen het museum tot Zilvermuseum werd omgevormd. De 20ste eeuw was immers ondervertegenwoordigd in de collectie.

In 1992 besliste de Bestendige Deputatie van de Provincie Antwerpen om haar provinciale musea te herstructureren rond de materies zilver, textiel, diamant en fotografie. Het centrale beheer vanuit het Sterckshofmuseum werd opgeheven en ieder provinciaal museum kreeg een eigen beheerder, een eigen personeelskader en een aangepaste begroting. Deze nieuwe beleidsoptie had op de eerste plaats verstrekkende gevolgen voor het Sterckshofmuseum. Het Museum voor Kunstambachten werd opgeheven en omgevormd tot Zilvercentrum. Door zijn omvangrijk legaat lag jonkheer Lunden postuum aan de basis van deze beslissing. De afdeling edelsmeedkunst was door zijn schenking en de eigen collectie van alle nog aanwezige deelverzamelingen het best uitgebouwd. Het lag voor de hand om het Sterckshofmuseum te herprofileren rond de verzameling, waarvoor het reeds de grootste bekendheid genoot.

De gelegenheid werd te baat genomen om ook het museumgebouw te renoveren. De ingang werd van de Hooftvunderlei naar de Cornelissenlaan verlegd. Het architectenbureau D'Hoore-Peeters uit Lier ontwierp een nieuwe toegangsbrug en vergrootte het kasteel in een eigentijdse stijl met liften, een inkomhal en een cafetaria. De tuin werd heraangelegd naar plannen van landschapsarchitect Denis Wauters. Voor het gerenoveerde museum werd een nieuw circuit van thematische zalen uitgewerkt. Ook werd een eigen zilveratelier in het museum ingericht, dat projectmatig ter beschikking staat van edelsmeden en opleidingsinstituten. Het museumatelier wordt uiteraard ook gebruikt voor het onderhoud van de zilvercollectie. Voor de bibliotheek werd een depot en een openbare leeszaal ingericht. In tegenstelling tot het museum blijft de bibliotheek zich specialiseren in de toegepaste kunsten in het algemeen, al ligt het voor de hand dat op de eerste plaats werken over edelsmeedkunst worden aangekocht. Ook de wetenschappelijk documentatie van het museum werd gevoelig uitgebreid.

Deelcollecties van het Museum voor Kunstambachten die niet in het nieuwe concept konden worden geïntegreerd, werden aan de eventuele eigenaars terugbezorgd of geheel of gedeeltelijk in langdurige bruikleen gegeven aan andere instellingen en musea, waar ze beter konden worden getoond of bewaard. Het nieuwe Zilvermuseum kreeg in enkele gevallen zilver uit andere museumreserves in bruikleen.

Zoals voor de andere provinciale musea werd in de schoot van de vzw Vrienden van de Provinciale Musea Antwerpen (VPMA) een adviescommissie voor het Zilvercentrum opgericht, die de conservator adviseert inzake aankoop- en museumbeleid. Na een grondige analyse van de bestaande collectie werd een verzamelbeleidsplan opgesteld. Voor het Ancien Régime wordt enkel Belgisch zilver gekocht, waarbij de klemtoon ligt op het edelsmidscentrum Antwerpen. Meer aandacht moet er gaan naar de edelsmeedkunst van de 19de en de 20ste eeuw en naar voorwerpen of steden, die nauwelijks of niet in de collectie vertegenwoordigd zijn.

Vanaf 1992 werden verschillende verzamelpistes gevolgd om de reeds uitstekende deelcollectie zilver van het voormalige Museum voor Kunstambachten uit te bouwen tot een meer coherente zilververzameling. Tevoren was er slechts sporadisch aandacht voor schepwerk. Lepels en vorken zijn echter voorwerpen waarmee de evolutie van het merkensysteem en ook de verschillende edelsmeedcentra duidelijk kunnen worden geïllustreerd. Er werd dan ook heel wat, vooral 18de-eeuws, bestek gekocht om de museumzalen die deze thema's behandelen, te stofferen.

De belangrijke uitbreiding van de collectie Antwerps zilver is nagenoeg volledig te danken aan de schenking A. & C. Maesen. Reeds in 1993 kreeg het museum een wijwatervat uit 1690-1692 van de Antwerpse edelsmid Josephus I Hennekin, die de voorstelling op de wandplaat kopieerde van het schilderij De H. Drievuldigheid van Pieter Paul Rubens uit 1617-1618. In 1994 volgde de schenking van een veertiental stuks Antwerps zilver uit de 18de en de vroege 19de eeuw. Tot deze gift behoren ook de drie Antwerpse zilveren vleespennen uit 1774. In 1997 werd aan deze schenking een Brusselse zilveren spoor uit 1816 toegevoegd. Ter gelegenheid van de heropening van het Sterckshof in 1994 kocht het museum twee Antwerpse zilveren eetborden uit 1714-1715 van het zogenaamde Cuylenservies. Als aanvulling op het vroege l7de-eeuwse zilver werden een kruikje met een Antwerps zilveren deksel en een Antwerpse lepel gekocht.

Drie opeenvolgende tentoonstellingen over 20ste-eeuws zilver in 1995 en 1996 zorgden voor een versnelde aankoop van modern zilver. Uit de expositie Argenti Italiani. Italiaans zilver uit de 20ste eeuw kocht het museum twee Segnico-kandelaars uit 1989 van Claudio Salocchi en het koffie- en theeservies Manhattan, dat Olga Finzi Baldi in 1957 ontwierp en in 1958 in het Italiaans paviljoen op de Expo 58 in Brussel tentoonstelde. De kunstenares schonk het museum een lepel, vork, mes en vismes van haar Elite-bestek uit 1967-1969. Voor de tentoonstelling Zilver uit Finland verwierf het museum een theezeefje van Bertel Gardberg uit 1955 en een driearmig kandelaartje uit 1961 van Tapio Wirkkala. In 1996 werd een set van het Tapio-bestek van Tapio Wirkkala gekocht. Dit bestek, ontworpen in 1957, werd in 1958 bekroond en geselecteerd voor het Huis van het jaar 2000 op de Expo 58 in Brussel. Het toeval wilde dat het museum in 1995 twee vijfarmige, vergulde kandelaars van het Brussels huis Wolfers kon aankopen, die eveneens ter gelegenheid van deze wereldtentoonstelling werden gemaakt. Een nog gelukkiger toeval zorgde er voor dat er in 1996 een koffie- en theeservies werd geveild, waarmee de Brusselse firma Delheid op deze expo uitpakte. Het Zilvercentrum bood met succes. Samen met het Belgische kleinzilver dat destijds op deze expo in het Huis van de Provincie Antwerpen werd getoond en dat nadien door conservator P. Baudouin werd aangekocht, hebben de vermelde tentoonstellingen en de voorzienigheid ertoe geleid dat het Zilvermuseum nu een kleine, interessante deelcollectie over de Expo 58 bezit. Voor de geschiedenis van de Belgische edelsmeedkunst was dit evenement immers cruciaal. Het luidde het begin van een voorlopig einde in.

Ondanks het potentieel binnen de Belgische zilversmidsindustrie verdwenen de grote commerciële ateliers na de Tweede Wereldoorlog één na één. De edelsmeedkunst werd terug een zaak van creatieve enkelingen. Nochtans hadden deze ateliers tijdens het interbellum nog een groot artistiek elan gekend. Over deze periode ging het derde luik van de tentoonstellingstrilogie over de moderne edelsmeedkunst. De voorbereiding van de expositie Art-decozilver. Antwerpen - Brussel - Gent in 1996 bood de gelegenheid om een museumdocumentatie over de Belgische 20ste-eeuwse edelsmeden en ateliers aan te leggen en om Belgisch Art-Decozilver aan te kopen. De vzw Vrienden van de Provinciale Musea Antwerpen (VPMA) hebben dit initiatief schitterend ondersteund. Zij deden een belangrijke gift van tafelzilver van de Brusselse huizen Altenloh en Delheid. Samen met het Art-Decozilver dat het museum zelf vóór, tijdens en na deze tentoonstelling kocht, zorgde hun schenking voor een goede vertegenwoordiging van deze stijlperiode in de museumcollectie.

De gegevens die voor de tentoonstelling over het Art-Decozilver werden verzameld, leidden als vanzelfsprekend naar een tweede, groots opgezet verzamel- en tentoonstellingsproject, namelijk de Belgische edelsmeedkunst uit de tweede helft van de 19de eeuw en het eerste decennium van de 20ste eeuw. In functie van de expositie Belgisch zilver van Belle Epoque tot Art Nouveau, die plaatsvindt in 1998, werd in 1996 en 1997 een aangepaste aankoopstrategie uitgewerkt. De collectie werd onder meer uitgebreid met een koffiepot van hofleverancier Dufour uit Brussel, gemaakt in een neo-stijl en versierd met een masker waarvan de uitvoering de invloed van het symbolisme verraadt. Voorts kwam er zilver van het huis Wolfers bij dat de Art Nouveau aankondigt of dat reeds in deze stijl is vervaardigd. Reeds eerder, in 1992, kocht het museum een theeservies, waarvan de melk- en suikerpot, de waterketel en de theepot illustreren hoe het huis Wolfers het Maraudeur-servies ontwikkelde. De collectie werd tenslotte in 1997 uitgebreid met een sauskom ontworpen door Henry Van de Velde.

Alhoewel het Sterckshofmuseum toen wegens verbouwings- en herinrichtingswerken gesloten was, ging de manifestatie Antwerpen 93 Culturele Hoofdstad van Europa niet aan het museumeiland in het Provinciaal Domein Rivierenhof voorbij. Terwijl er koortsig gewerkt werd aan het nieuwe Zilvercentrum, organiseerde het Vlaams Instituut voor het Zelfstandig Ondernemen (VIZO) in het Antwerpse stadscentrum de expositie Een schitterend feest / A sparkling party. Het museum kocht uit deze tentoonstelling over Europees hedendaags zilver de peper- en zoutslangetjes van de Oostenrijkse Suzanne Hammer en het ensemble Waterfront van de Belgische edelsmid Joris Kuyl. Binnen de adviescommissie rijpte naar aanleiding van deze aankopen het idee om niet enkel passief te verzamelen, maar om ook een initiatief te nemen dat de hedendaagse edelsmeedkunst creatief stimuleert. Dit idee werd gekoppeld aan het gebruik en de werking van het zilveratelier in het museum. En zo ontstond de Sterckshofopdracht.

Zoals vele musea heeft het Zilvermuseum Sterckshof tenslotte ook enkele kunstwerken die minder authentiek of zelfs vals zijn. Ook dat is een aspect van de geschiedenis van de edelsmeedkunst. Een Alkmaarse gordelhaak uit 1905 heeft niet enkel de correcte Nederlandse keuren - en tot zover is het geen vervalsing - maar daarnaast is er ook nog een serie valse Amsterdamse merken, waardoor het stuk ouder lijkt en het de achteloze koper misleidt. Iets gecompliceerder is het verhaal van het votiefbeeld van aartsbisschop Jacobus Theodorus de Bryas. De verschillende onderdelen zoals het voetstuk met het opschrift, het gedreven beeld van de geknielde aartsbisschop en de bidbank zijn authentiek, al zijn het onderdelen van een verloren gegaan groter ensemble en al was de knielende bisschop mogelijk oorspronkelijk niet op deze wijze op het voetstuk gemonteerd. De Antwerpse merken zijn echter vals: zij zijn te groot, te duidelijk afgelijnd en te verschillend van de toen gangbare vormen. Tenslotte kreeg het museum in 1995 via de vzw Vrienden van de Provinciale Musea Antwerpen (VPMA) een leuk voorbeeld van een regelrechte vervalsing: een sauskom met valse 18de-eeuwse merken van Oudenaarde. Stilistisch is deze sauskom helemaal niet Vlaams en de merken zijn bijzonder primitief nagebootst. Een kenner trapt hier niet in, maar niet iedereen is een kenner. En daarom is het de taak van een museum om ook dergelijke voorwerpen te verzamelen - uiteraard tegen een billijke prijs - en ze te tonen met een waarschuwend bordje.

Ondanks de opeenvolgende heroriëntaties van het museum ontstond in de loop der jaren een interessante zilvercollectie. Haar verscheidenheid is de stille getuige van de museumhistoriek. Wat haar bindt, kwam tot stand als puzzelstukken die door een volgehouden en doelgericht verzamelbeleid in elkaar werden gepast. Het resultaat is op de eerste plaats een collectie Belgisch zilver van de 16de tot en met de 20ste eeuw. Het Antwerps zilver is het best vertegenwoordigd, vooral dan voor het Ancien Régime. Brussel komt op de tweede plaats en is dominant voor de 19de en de 20ste eeuw. Het Zilvermuseum is bijzonder rijk aan tafelzilver. Het toiletzilver is ondervertegenwoordigd. Ook het aandeel van het kerkelijk zilver mocht best groter zijn. Het buitenlands zilver behoort vaak nog tot het zogenaamde Oud Fonds. Dikwijls zijn het ook schenkingen. In enkele gevallen waren het aankopen die het Belgisch zilver in een bredere context moesten plaatsen of die, zoals voor het zilver van de Wereldtentoonstelling in Brussel in 1958, het internationaal belang van deze expo illustreren. Een niet onbelangrijke sectie tenslotte vormen de anoniemen. Doorgaans is het kleinzilver, maar het is daarom niet minder van belang voor de collectie van een Zilvermuseum dat alle aspecten van de edelsmeedkunst wil tonen.


Delheid Frères 1828–1980: Van Michel Delheid tot Climax
23/3/2010 - 13/6/2010
Klatergoud en zilveren bellen: Een verzameling rammelaars
6/10/2009 - 10/1/2010
Sterckshofopdracht 2004: Annemie De Corte, WIREWORK
16/1/2005 - 5/6/2005