Picasso, Klee, Miró en de moderne kunst in Nederland, 1946-1958


Over de expositie

Na een restauratie en renovatie van ruim twee jaar heropent het Stedelijk Museum Schiedam feestelijk op 9 april 2006. Het vernieuwde museum voor Nederlandse beeldende kunst na 1945 presenteert vier tentoonstellingen. Met Picasso, Klee, Miró en de moderne kunst in Nederland, 1946-1958 toont het museum als eerste de invloed van de drie grote internationale kunstenaars op de naoorlogse Nederlandse moderne kunst. Aan de hand van werken uit nationale en internationale collecties wordt getoond welke weerklank zij vonden bij een vijftiental Nederlandse kunstenaars zoals Appel, Corneille en Lucebert. Deze hebben in de jaren veertig en vijftig het aanzicht van de kunst in Nederland ingrijpend veranderd. Aan de hand van artikelen uit kranten en tijdschriften, maar ook door brieven, foto's en films uit die tijd wordt duidelijk gemaakt hoe Nederland de vormentaal en de opvattingen van de moderne kunst zich eigen maakte. Daarnaast zijn er twee tentoonstellingen van hedendaagse kunstenaars: Maria Roosen Maria's Maria's en Tomas Schats Tekeningen en animaties.
Ook is onder de titel CoBrA, Cool & Comptemporary, Nederlandse kunst vanaf 1945 uit eigen collecties de vernieuwde collectiepresentatie te bezichtigen.

Internationale contacten
De tentoonstelling Picasso, Klee, Miró en de moderne kunst in Nederland, 1946-1958 laat zien welke betekenis het herstel van internationale contacten voor de Nederlandse kunst direct na de Tweede Wereldoorlog heeft gehad. Was het Nederlandse culturele leven al vóór de oorlog, tijdens de economische crisis van de jaren dertig, in een isolement geraakt, onder de Duitse bezetting werd het welhaast onmogelijk zich op de hoogte te stellen van wat er zich buiten de grenzen afspeelde. De alomtegenwoordige censuur en verplichte inschrijving bij de Kultuurkamer belemmerden een vrije artistieke ontwikkeling van een hele generatie jonge kunstenaars.
In de naoorlogse jaren wordt er door hen dan ook uitvoerig gereisd om kennis te nemen van de artistieke ontwikkelingen die zich sinds de jaren dertig in het buitenland hebben voorgedaan.
Velen ontvluchten het Nederland van de wederopbouw, waar een gedeeltelijke terugkeer naar de vooroorlogse maatschappelijke verhoudingen verstikkend werkt. Het favoriete reisdoel is Parijs, vanouds het brandpunt van de Europese kunstwereld.

Pablo Picasso (Spanje, Malaga 1881 - Frankrijk, Mougins 1973)
Voor wie niet naar Parijs kon reizen, bood het Stedelijk Museum in Amsterdam uitkomst, waar museumdirecteur Willem Sandberg een indrukwekkende reeks tentoonstellingen organiseerde van inmiddels ‘klassiek moderne' meesters. Al in 1946 toont hij de werken die Picasso tijdens de oorlog maakte. Deze veelal verwrongen vrouwenportretten en stillevens maken grote indruk en al in de late jaren veertig verschijnen er bij Appel, Constant, Corneille, Lucebert en Wagemaker elementen die naar Picasso's beeldtaal verwijzen.
De Picasso-tentoonstelling is geruchtmakend. Het brede publiek is geschokt en de meningen in de pers zijn verdeeld: sommigen zien in hem een genie, dat de pijn en het lijden van de oorlog treffend heeft weten te verbeelden. Anderen zijn van mening dat Pablo Picasso of zijn verstand heeft verloren of een charlatan is. Picasso blijkt de meest controversiële kunstenaar van zijn tijd, maar ook de meest mediagenieke. Iedere stap in zijn carrière en persoonlijke leven wordt uitgebreid besproken in kranten en tijdschriften. Met hem is het voor het eerst dat een beeldend kunstenaar een echte internationale sterrenstatus bereikt.
Na de tentoonstelling van 1946 keerde Picasso regelmatig terug in diverse Nederlandse musea.
De meest legendarische tentoonstelling van zijn werk is wel die van 1956, wederom in het Stedelijk Museum Amsterdam. Picasso's beroemde schilderij Guernica uit 1937 wordt er samen met vele voorstudies getoond. Binnen de tentoonstelling Picasso, Klee, Miró en de Nederlandse moderne kunst 1946 – 1958 krijgt de betekenis van de Guernica voor de Nederlandse kunst bijzondere aandacht.

Paul Klee (Switzerland, Münchenbuchsee 1879 - Muralto-Locarno 1940 )
In tegenstelling tot Picasso staan het werk en de persoonlijkheid van Paul Klee nauwelijks ter discussie. Hij is vooral een ‘kunstenaar van kunstenaars', niet het intimiderende genie zoals Picasso, maar eerder een stimulerende ‘leraar'. In 1948 is het opnieuw Sandberg die in het Amsterdamse Stedelijk een tentoonstelling van Klee brengt. Voor Nederlandse kunstenaars is Klee's experimentele omgang met armoedige materialen en zijn vermogen daarmee een poëtische, associatieve wereld te scheppen een eye-opener.
Corneille maakte al in 1947 kennis met Klee's werk tijdens een verblijf in Boedapest. In zijn vroege gouaches en tekeningen zijn tal van aspecten van Klee terug te vinden, zoals de sterke lineaire tekenstijl en de creatie van een eigen fantastische wereld. Behalve voor Corneille is Klee ook van belang voor Appel en Eugène Brands, en het oeuvre van Jan Schoonhoven is simpelweg niet denkbaar zonder Klee.

Joan Miró (Spanje Barcelona 1893 – Palma de Mallorca 1983)
De betekenis van Miró voor de moderne kunst in Nederland is minder concreet aanwijsbaar dan die van Picasso en Klee, maar daarom niet minder groot. Miró creëerde een geheel eigen, imaginaire wereld vanuit zijn onderbewuste. In het interbellum vond hij in Parijs aansluiting bij de surrealisten. Zijn werk werd rond 1950 bijna jaarlijks getoond door de Parijse galerie Maeght, waar Constant het voor het eerst zag. Piet Ouborg maakte er al voor de Tweede Wereldoorlog kennis mee, toen hij in Indonesië verbleef. Hoewel van een vroegere generatie, slaagt Ouborg erin zich onder invloed van Miró ingrijpend te vernieuwen door vrijwel geheel abstract te gaan werken. Bij Anton Rooskens en Theo Wolvecamp uit Miró's invloed zich in het gebruik van lijnen die figuren suggereren, en van de typerende primaire kleurvlakken met afgeronde hoeken. Jan Nieuwenhuijs concentreert zich op de figuratieve elementen uit Miró's werk. Rond 1949 worden zijn schilderijen bevolkt door sprookjesachtige figuren, die net als bij Miró, in een magische ruimte lijken te balanceren.
Miró's invloed op Nederlandse kunstenaars heeft ook een spiritueel aspect. Zijn verwijzingen naar het collectieve bewustzijn en het individuele onderbewustzijn vinden ondermeer navolging bij Wim de Haan.

Invloed op de vormgeving
Naast aantoonbare invloed op diverse kunstenaars, lijkt Miró ook het meest aanwezig in de vormgeving van het Nederlandse interieur van de jaren vijftig. Ook hier vinden we weer de karakteristieke lijnvoering en afgeronde, organische vormen terug. Het lijkt wel alsof het Nederlandse publiek eerst via de toegepaste kunst gewend raakte aan de moderne vormentaal, om pas vervolgens tot acceptatie van de moderne beeldende kunst te komen. Op de tentoonstelling zijn diverse voorbeelden te zien van door Picasso, Klee en Miró geïnspireerde toegepaste kunst, zoals gordijnstoffen van de Amerikaanse firma Fuller, bedrukt met ontwerpen van de drie kunstenaars.

De tentoonstelling Picasso, Klee, Miró en de moderne kunst in Nederland, 1946-1958 richt zich in de eerste plaats op de artistieke verwerking van het werk van Picasso, Klee en Miró door de belangrijkste Nederlandse kunstenaars van de jaren veertig en vijftig; op het proces van stilistische en thematische beïnvloeding, creatieve transformatie en uiteindelijk het vinden van een eigen, nieuwe beeldtaal en thematiek. Maar ook de persoonlijkheid van deze drie kunstenaars en hun positie binnen de maatschappij strekten tot voorbeeld.
De belangstelling van de jonge Nederlandse kunstenaars voor Picasso, Klee en Miró kan niet los worden gezien van hun verlangen de nieuwe kunst te legitimeren. In de jaren vijftig beroept men zich op de creatieve oerkracht, spontaniteit en authenticiteit als belangrijkste voorwaarden voor het kunstenaarschap. Hieruit komt een kunst voort, die een universele taal spreekt en daarmee een verbindende en helende werking zal hebben op de samenleving. Aan het eind van de jaren vijftig heeft deze informele en irrationele kunst de heilsverwachting van de kunstenaars niet ingelost.
Zij maakt plaats voor de meer het rationele tijdperk van de abstract-geometrische kunst. Voor de jongste generatie kunstenaars zijn Picasso, Klee en Miró niet langer idolen.

Bij de tentoonstelling verschijnt een publicatie, verzorgd door het Stedelijk Museum Schiedam en NAi Uitgevers Rotterdam (19,50 € ).


Wanneer en waar

  • Expositieperiode was t/m 20 aug 2006
Stedelijk Museum Schiedam
Hoogstraat 112
3111 HL Schiedam
010-2463666

open: di t/m zo 11.00-17.00, gesloten op 25 dec en 1 jan, Eerste en Tweede Paasdag geopend , Eerste en Tweede Pinksterdag geopend, Gesloten op Eerste Kerstdag en Nieuwjaarsdag, , entree € 12,50, , € 10,00 p.p. voor groepen met meer dan 15 personen., , € 5 euro Schiedammers, CJP-pas, studenten met geldige studentenkaart, leden van de Historische Vereniging Schiedam, KomKids Familiepas, Rotterdam Welcome Card., , Gratis voor kinderen en jongeren (0 t/m 18 jaar), Museumkaart, RotterdamPAS, Vriendenpas Stedelijk Museum Schiedam, ICOM-pas, Rembrandtpas.