Van: info@galeries.nl - 22/9/2006


betreft instelling: Het Mondriaanhuis

Schenking onbekende brieven Mondriaan aan Mondriaanhuis

Onlangs zijn in een vervallen huis in de omgeving van New York tot dusver onbekende brieven gevonden van Piet Mondriaan aan zijn vriend, de schilder Gerard Hordijk (1899-1958). De brieven werden gevonden op de zolder van het pand, samen met vele schilderijen van Hordijk.

Alliantie Ontwikkeling bv en Stichting LATEI projectontwikkeling hebben deze bijzondere brieven gekocht. Initiatiefnemer was Dick Regenboog, algemeen directeur van Stichting LATEI. In een overhandigingceremonie in het Mondriaanhuis aan de Kortegracht in Amersfoort schonk de heer Regenboog de briefwisseling aan het Mondriaanhuis.

De brieven zullen door het museum in bruikleen worden gegeven aan het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie in Den Haag. Eerst zijn ze voor het publiek te zien van a.s. dinsdag 26 september t/m zondag 26 november in het Mondriaanhuis Museum voor Constructieve en Concrete kunst.

Mondriaan en Hordijk leerden elkaar in 1927 kennen toen Mondriaan lid werd van de Hollandsche Schildersvereeniging De Klomp in Parijs. Beide schilders waren naar Parijs getrokken, destijds dé place-to-be voor elke jonge kunstenaar. Mondriaan woonde er van 1912-1914 en van 1919-1938, Hordijk van 1927-1939. Hordijk betrok in 1927 een atelier in hetzelfde complex als Mondriaan aan de rue du Départ. Hordijk maakte er talloze gouaches en aquarellen in vlotte en schetsmatige stijl. De paardenrenbaan, maar ook het circus en ballet behoorden tot zijn favoriete onderwerpen.

Gerard Hordijk was geen vernieuwend schilder, in tegenstelling tot de nu wereldberoemde Mondriaan. Hem werd dan ook wel eens verweten dat zijn stijl te veel op die van Raoul Dufy leek. Hordijk had destijds wel veel meer succes dan Mondriaan die in Parijs nauwelijks de gelegenheid kreeg om te exposeren. In één van de brieven aan Hordijk maakte hij melding van de verkoop van een schilderij, hetgeen zijn financiële zorgen verlichtte. Het ging hierbij om één van de twee[!] schilderijen die hij in Frankrijk aan Fransen wist te verkopen.

Hoewel zij in hun manier van werken sterk verschilden, bleef de band tussen de schilders bestaan. Deze werd weer aangehaald toen beiden in 1940 in New York gingen wonen. Gerard Hordijk kende New York toen al. Via brieven en kaartjes hielden zij elkaar op de hoogte van hun ontwikkelingen. Aan het taalgebruik van Mondriaan is zijn veramerikanisering goed af te lezen.

Verder komen we meer te weten over de gezondheid van Mondriaan. Deze was enkele maanden voor zijn dood in februari 1944 niet best, zoals hij zelf aangeeft in een brief uit september 1943; hij schrijft over zijn bronchitis, maagklachten en een serie tandheelkundige operaties.

In brieven van beide schilders wordt geschreven over het portret dat Hordijk in 1928 van Mondriaan maakte. Kennelijk zijn er niet veel positieve reacties. Mondriaan probeert Hordijk een hart onder de riem te steken.

Ook als aanvulling op onze kennis van techniek en materiaalgebruik van Mondriaan is de briefwisseling waardevol. Mondriaan schrijft over een experiment met “keimsverf”, een mineraalverf die niet geschikt blijkt voor op doek vanwege de ‘krakkels’.

De brieven aan Hordijk kleuren het beeld dat wij van de mens en de kunstenaar Mondriaan hebben, verder in.
Redactie